Justitiële samenwerking in strafzaken

binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid van de Europese Unie: recente ontwikkelingen en actuele thema’s 2020-2021

Invoering

Dit project beoogt het organiseren van praktische opleidingen over de belangrijkste instrumenten van het EU-strafrecht: het Europees aanhoudingsbevel, het Europees onderzoeksbevel, de EU-wetgeving inzake procedurele waarborgen en de kaderbesluiten van de Raad over detentie en overbrenging van gevangenen.

Presentatie

We zijn op een punt gekomen waarbij de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen, die de hoekstenen vormen van de Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (AFSJ), evenals de principes van de justitiële samenwerking inzake strafzaken binnen die ruimte, in gevaar zijn.
De zaken C-404/15 en C-659/15 PPU Aranyosi en Caldaruru, C-216/18 PPU LM en de C 220/18 PPU ML plaatsen de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in een nieuw daglicht, en stellen een einde aan een tijd waarin de acties van de EU of haar lidstaten door ditzelfde principe gevrijwaard bleven van controle op de eerbiediging van de grondrechten.

Deze vraagt stel zich vooral in de context van het Europees aanhoudingsbevel, waar de overlevering aan de uitvaardigende lidstaat voortaan negatief wordt gekenmerkt door bezorgdheden inzake de grondrechten en de rechtsstaat in de betrokken staat.

Tegelijkertijd veronderstelt het Europees onderzoeksbevel een aantal onderzoeksmaatregelen, die van dwingende aard zijn en bijgevolg wrijving kunnen veroorzaken tussen de uitvaardigende en de uitvoerende autoriteiten met betrekking tot het garanderen van de grondrechten.

Detentie, en in het bijzonder voorlopige hechtenis, is ook gedurende geruime tijd een bron van zorg geweest voor de lidstaten, die zich afvroegen op welke manier ze de vereiste maatregel konden uitvoeren zonder de grondrechten te schenden.

Bijgevolg is de EU-wetgeving inzake procedurele waarborgen, die de procedurele status van verdachten en beklaagden verhoogt, nu relevanter dan ooit, omdat ze het EU-niveau en de EU-normen inzake bescherming van de grondrechten vastlegt voor gevallen waarbij bepaalde praktijken in sommige EU-lidstaten aanleiding kunnen geven tot ongerustheid.

Dit alles houdt een heel nieuwe uitdaging in voor rechtsbeoefenaars, rechters, procureurs en strafpleiters die werkzaam zijn in grensoverschrijdende strafzaken in de EU. Het dilemma waarmee beoefenaars van juridische beroepen tegenwoordig worden geconfronteerd, is hoe het EU-acquis inzake strafrecht getrouw kan worden toegepast wanneer de onderliggende beginselen van samenwerking – wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen – gevaar lopen geërodeerd te worden. Om het in bredere zin te zeggen, hoe kan het EU-strafrecht volledig worden toegepast mét de garantie dat ook de grondrechten en de rechtsstaat worden gerespecteerd?

Het algehele verwachte resultaat van het project zal een toegenomen kennis en beter begrip van de belangrijkste gebieden van het EU-strafrecht zijn: de Europese overleveringsprocedure via het Europees aanhoudingsbevel, de Europese procedure voor het verzamelen van bewijsmateriaal via het Europees onderzoeksbevel, de Europese rechtsinstrumenten inzake detentie en overbrenging van gevangenen en de Europese procedurele waarborgen inzake strafprocedures.

De website die binnen het kader en voor de noden van dit project wordt ontwikkeld evenals het trainingsmateriaal zullen beschikbaar zijn tijdens de volledige levensduur van het project. Na afronding van het project zullen de inleidende online lezing en het opleidingsmateriaal in vijf talen (Engels, Frans, Nederlands, Spaans en Pools) beschikbaar worden gesteld op het E-justitieportaal.

Coördinator

Stakeholder

Dit project wordt gefinancierd door
het Justitieprogramma van
de Europese Unie (2014-2020)

Partners

“Deze website en de inhoud ervan zijn tot stand gekomen met financiële steun van het programma Justitie van de Europese Unie. De website en de genoemde inhoud zijn de exclusieve verantwoordelijkheid van het uitvoerende team van het project en kunnen op geen enkele manier worden opgevat als de mening van de Europese Commissie.”